Het is een bewolkte dag in Dharamkot Maar verrassend genoeg is het droog. Ik neem de paraplu toch maar mee want je weet maar nooit. Met de benenwagen, zoals mijn grootvader zei, begin ik aan de wandeling. Op een pad van stenen langs de gekleurde roze, witte en gele huizen naar de weg. Er zijn varens, eiken, sparren, met mos begroeide rotsen en grote vijfvinger-achtige planten. Het is een sprookje. Regelmatig sta ik stil om me te vergapen, mijn vingers langs het mos te laten glijden, en alle plantjes van dichtbij te zien. Ze worden er verlegen van.
Hier en daar zie ik een elfje vliegen, oplichtend in de schaduw onder het bladerdek. Of is dit nu fantasie? Ik haal het niet altijd zo uit elkaar en dat is eigenlijk geen probleem voor mij. Het leven is veel leuker met elfjes in het bos. Dus zeg ik maar tegen mezelf: “Elfjes bestaan als jij het wil.” En elfjes passen ook prima in een column. Maar vraag me niet een wetenschappelijk artikel te schrijven want je zal je bedrogen voelen met alle ‘feiten’ die ik noem. Karan zei het laatst ook: “Lieke, jij kan heel overtuigend dingen beweren die helemaal niet waar zijn.” Ik bedankte hem voor het compliment.
Op mijn hippe gympen loop ik door naar de rand van het dikke dennenbos. Hier staan hele dikke dennen. Ze hebben vast veel gegeten. Een klein watervalletje valt over stenen naar beneden. Ik klauter erlangs omhoog. Onderweg steek ik per ongeluk mijn hand in een koeienvlaai. De waterval komt meteen mooi van pas. Koel glijdt de stroom langs mijn huid. Even later kom ik aan bij een beschutte plek. Kleine poeltjes staan her en der in de waterval. In mijn onderbroek ga ik in zo’n poeltje zitten. Heerlijk – net wat ik nodig had. Ik kijk rond. Snuif de frisse boslucht op. Een spinnetje zit in zijn flinterdunne web met duizenden regenparels. Een torretje loopt over een blad, zwartblauw glanzend in de paar seconden zon. Verderop verdwijnen boomtoppen achter mysterieuze mist.
Ik ben dankbaar dat mijn ouders mij geleerd hebben hoe je van de natuur kunt genieten. Van jongs af aan namen ze me mee door de Afrikaanse jungle, de Schotse hooglanden, de Franse Pyreneeën. We speelden, wandelden, kampeerden, maakten sneeuwpoppen, picknickten, ketsten stenen over meren. Dit waren mijn beste jeugdherinneringen, samen met tekenen en lezen. En paardrijden. En konijnen verzorgen. En lachen. En lekker eten aan tafel met mijn ouders, broer en zus.
Veel mensen zeggen dat ze van de natuur houden. Maar ik heb steeds meer mensen ontmoet die eigenlijk geen raad weten met de natuur. Zeker in India, waar veel mensen in een metropool zijn opgevoed en de natuur net zo onbereikbaar lijkt als Pluto. Ze kunnen nog geen minuut stilzitten en de vegetatie bewonderen. Er moet muziek bij, of alcohol, een telefoon of allerlei gesprekken. Maar echt in stilte, alleen, in de natuur zijn… in communicatie met alle levende organismen om je heen… is voor veel mensen lastig. Alsof die ‘taal’ verloren is. De taal van bewonderen, luisteren, gedachteloos waarnemen. De kleuren en vormen op je in laten werken. Niet met je hersenpan maar met je hele lichaam. Gewaar zijn van je ademhaling, de bodem onder je voeten, grashalmen die langs je heen glijden. Dit is communicatie met de natuur. Niet met woorden maar sensatie.
Ik stap uit de waterval en daal af naar de weg. Een wit hondje snuffelt, een man aait een koe. Ik huppel naar huis terwijl ik bloemen en blad verzamel voor ons altaartje. Thuis aangekomen zie ik een bloedzuiger op de vloer. “Wat is dat?” vraagt Karan, wijzend naar bloed op mijn been. “Oh een bloedzuiger!” zeg ik. Ik zet de bloedzuiger de deur uit. Connectie met de natuur is fijn, maar wel met grenzen. De volgende keer neem ik een elfje mee naar huis. En jij?



