In de twintigste eeuw werd de wereldkaart ingrijpend hertekend. Na de Tweede Wereldoorlog kregen tientallen landen hun onafhankelijkheid en kwam er een einde aan eeuwen van Europees kolonialisme. Die overgang van buitenlandse overheersing naar nationale zelfbeschikking geldt als een van de grootste politieke verschuivingen uit de moderne geschiedenis.
Tot aan de jaren 1940 waren bijna 100 landen – voornamelijk in Afrika, Azië en het Caribisch gebied – geen onafhankelijke staten, maar koloniën van Europese mogendheden zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje en Portugal. De invloed van deze koloniale overheersers bepaalde het politieke en economische leven in grote delen van de wereld.
Maar dat veranderde snel na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren 1950 en 1960 kwam een ongeziene golf van dekolonisatie op gang. Steeds meer landen riepen hun onafhankelijkheid uit, stichtten hun eigen regeringen en begonnen deel te nemen aan internationale organisaties zoals de Verenigde Naties. Voor veel volkeren betekende het de eerste keer in de geschiedenis dat ze zelf over hun toekomst konden beslissen.
De val van het kolonialisme betekende niet het einde van alle ongelijkheid, maar het legde wel de basis voor nationale ontwikkeling, culturele herwaardering en wereldwijde samenwerking. Vandaag zijn veel voormalige koloniën uitgegroeid tot invloedrijke spelers op het wereldtoneel.
Waarom vinden we dit goed nieuws?
We vinden dit goed nieuws omdat het nauw aansluit bij de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. De wereldwijde dekolonisatiegolf draagt bij aan SDG 16: Vrede, justitie en sterke instellingen. Zelfbeschikking is een fundamenteel mensenrecht en vormt de basis voor eerlijke, inclusieve en legitieme politieke systemen. Door afscheid te nemen van externe overheersing kunnen landen hun eigen koers varen, hun instellingen versterken en bouwen aan duurzame ontwikkeling.


