Voor het eerst in de geschiedenis is in Nederland meer dan de helft van de elektriciteit afkomstig uit hernieuwbare bronnen. Vooral zonne- en windenergie spelen daarin een sleutelrol.
In 2024 was 54 procent van de Nederlandse elektriciteitsproductie hernieuwbaar, waarvan 45 procent afkomstig uit zonne- en windenergie. Dat is een opmerkelijke versnelling, want in 2018 werd nog meer dan 80 procent van de stroom opgewekt met fossiele brandstoffen.
De omslag kwam er na het nationale klimaatakkoord van 2019, waarin meer dan 600 maatregelen werden afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Tot de maatregelen behoren onder andere een stijgende CO₂-heffing, investeringen in wind- en zonne-energie, en de sluiting van een grote kolencentrale.
Wat dit Nederlandse voorbeeld bijzonder maakt, is de manier waarop het tot stand kwam: via ‘polderen’. Meer dan honderd organisaties – van bedrijven en vakbonden tot overheidsinstanties en ngo’s – werkten samen om tot breedgedragen beslissingen te komen. Dat overlegmodel blijkt bijzonder doeltreffend in het realiseren van een snelle energietransitie.
De Nederlandse ervaring toont aan dat een doorgedreven overstap naar hernieuwbare energie niet alleen mogelijk is via top-downbeleid, maar ook via brede maatschappelijke samenwerking. Dat is een belangrijk signaal voor andere landen die werk willen maken van een koolstofarme toekomst.
Waarom vinden we dit goed nieuws?
We vinden dit goed nieuws omdat het nauw aansluit bij de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. Deze omslag naar hernieuwbare energie draagt rechtstreeks bij aan SDG 7 (Betaalbare en duurzame energie) en SDG 13 (Klimaatactie). Daarnaast toont het succes van het Nederlandse overlegmodel het belang van SDG 17 (Partnerschappen om doelstellingen te bereiken). Het is een inspirerend voorbeeld van hoe samenwerking tussen overheid, bedrijven en burgers een krachtige motor kan zijn voor klimaatoplossingen.


