In de jaren zeventig werden jaarlijks gemiddeld meer dan 300.000 ton olie verloren door tankers. Vandaag is dat cijfer nog amper 10.000 ton, een dertigste van toen.
Iedereen kent de dramatische beelden van olierampen: vogels en zeezoogdieren bedekt onder een dikke, zwarte laag, ecosystemen zwaar aangetast en torenhoge kosten voor schoonmaak. In de jaren 1970 waren zulke rampen nog schering en inslag, met jaarlijks gemiddeld meer dan 300.000 ton olie die in de oceanen terechtkwam.
In de decennia die volgden, daalde dat aantal al naar ongeveer 100.000 ton per jaar. Maar sinds de eeuwwisseling is de vooruitgang ronduit spectaculair. Ondanks een sterke toename in de wereldwijde olieproductie en -handel, werd er vorig jaar wereldwijd slechts 10.000 ton olie gemeld als verlies. Dat is minder dan één dertigste van het gemiddelde in de jaren zeventig.
Experts schrijven deze daling toe aan strengere internationale regelgeving, verbeterde technologie in de scheepvaart en een betere opvolging van veiligheid en onderhoud. Dit toont aan dat internationale samenwerking en innovatie een verschil kunnen maken.
Waarom vinden we dit goed nieuws?
We vinden dit goed nieuws omdat het nauw aansluit bij de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. Minder olievervuiling draagt rechtstreeks bij aan SDG 14 (Oceanen) door het beschermen van mariene ecosystemen, en ook aan SDG 15 (Natuur) door negatieve impact op biodiversiteit te beperken.



