Het aantal vrouwen dat sterft tijdens de bevalling is de afgelopen veertig jaar wereldwijd met maar liefst 57 procent gedaald. Dat betekent dat er jaarlijks zo’n 365.000 moeders méér in leven blijven dan in 1985. De daling is het resultaat van betere gezondheidszorg, meer toegang tot prenatale begeleiding en internationale aandacht voor veilige bevallingen.
Maternal mortality – het sterftecijfer van moeders tijdens zwangerschap en bevalling – was in het verleden één van de grootste tragedies bij de start van een mensenleven. Dankzij verbeterde medische technieken, betere hygiëne en internationale samenwerking is het risico voor zwangere vrouwen de laatste decennia spectaculair verminderd. Hoewel de coronapandemie tijdelijk voor een kleine terugval zorgde, zetten de cijfers sinds kort opnieuw hun dalende trend voort.
Toch blijven er grote regionale verschillen bestaan. In sommige landen is de kans om te sterven bij de bevalling nog altijd vele malen hoger dan in andere. Experts schatten dat het wegwerken van deze ongelijkheid jaarlijks nog eens 275.000 vrouwenlevens kan redden.
Waarom vinden we dit goed nieuws?
We vinden dit goed nieuws omdat het nauw aansluit bij de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties. De sterke daling van moedersterfte draagt rechtstreeks bij aan SDG 3 (Goede gezondheid en welzijn), dat streeft naar veilige zwangerschap en bevalling, en aan SDG 5 (Gendergelijkheid), omdat toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg een fundamenteel vrouwenrecht is. Minder moedersterfte betekent niet alleen geredde levens, maar ook meer kansen voor vrouwen en kinderen wereldwijd.



