Dichte mist, zoals bij de tragische kettingbotsing op de E17 in Nazareth in 1996, komt vandaag veel minder vaak voor. Dat is goed nieuws voor de verkeersveiligheid én voor onze leefomgeving.
Dertig jaar na de zware kettingbotsing in Nazareth, waarbij tien mensen om het leven kwamen en tientallen zwaargewond raakten, blijkt dat zulke extreme mistbanken minder frequent worden. De evolutie is duidelijk zichtbaar in onze buurlanden. In Nederland is het aantal mistdagen sinds de jaren tachtig gehalveerd: van ongeveer 80 dagen per jaar in 1985 naar nog zo’n 40 vandaag.
De belangrijkste verklaring is eenvoudig maar hoopgevend: de luchtkwaliteit verbetert. Mist ontstaat wanneer waterdamp zich hecht aan vervuilde deeltjes in de lucht. Hoe minder vervuiling, hoe minder “hechtingspunten” voor mistvorming. Schonere lucht betekent dus automatisch minder kans op dichte mist.
Dat wil niet zeggen dat mist volledig zal verdwijnen. Zolang er nog enige luchtvervuiling is, blijft er kans op mist. Maar de trend is duidelijk: betere luchtkwaliteit zorgt voor minder mistdagen, en dat verlaagt het risico op gevaarlijke verkeerssituaties.
Wat ooit een dramatische realiteit was op onze snelwegen, wordt vandaag steeds minder waarschijnlijk. Dat is een stille maar belangrijke vooruitgang voor iedereen die dagelijks de baan op moet.


